Wij gebruiken het begrip structuur in de vorm van stratificatie, of beter gezegd het samenspel van verschillende lagen complexiteit. Laat ons het menselijk lichaam als metafoor gebruiken. Dat lichaam bestaat uit cellen die deel zijn van weefsel, dat op zijn beurt deel zijn is van een orgaan, dat deel is van een stelsel (zoals spijsvertering), dat deel is van het lichaam, … De mens is op zijn beurt dan weer deel van organisaties, die deel uitmaken van ecosystemen, die deel zijn van maatschappijen, …  Ieder deel van dat stelsel is een systeem dat overleeft in haar omgeving. Een cel overleeft in de omgeving die we ‘weefsel’ noemen. De variëteit daarin is laag. De omgeving waarin mensen bewegen kent dan weer een veel hogere variëteit, maarde mens is dan ook een complex wezen. Ook voor de mens blijft de variëteit die ze aankan echter begrensd. Zet ons bijvoorbeeld in de wildernis, daar waar de neushoorns, nijlpaarden, krokodillen en leeuwen nog onbegrensd leven, en de kans bestaat dat we die specifieke variëteit niet gaan aankunnen (tenminste als we daarvoor niet de middelen hebben, zoals jachtgeweren). Structuur is het ‘stratificeren’ en aanbrengen van grenzen die samenhangen met complexiteit. Als je dit als organisatie goed doet, dan zijn de winsten simpelweg episch.  Wij gebruiken daar een systemisch model voor, waarbij er voor elke laag van complexiteit, een andere ‘orde’ van waarde wordt gecreëerd. Bijvoorbeeld pure uitvoering is van een andere ‘orde’ dan continue verbetering. Continue verbetering is van een andere orde dan het creëren van doorbraken in markt-product-dienst-technologie combinaties.

Structuur